23-12-09

7.Die van de pomp,de baron en de beervaten

100_2009

Die van de pomp,de baron en de beervaten

Een 150-tal jaar eerder dan vandaag, midden negentiende eeuw, woonde Jozef met zijn pa in een klein huisje aan de dorpspomp in de buurt van het dorp van zijn latere nageslacht. Zijn vader moest weer eens met paard en beerkar naar de nabijgelegen stad om bij de stadsbewoners drek te gaan scheppen. Niet de drek van de beesten van de boerderijen, maar mensendrek. De stadsbewoners werkten in grote getale bij de plaatselijke suikerfabriek en woonden armoedig hun volgens de clerus en burgerij te dragen lot uit in huizen die eigenlijk best gesloopt zouden worden. Terug met paard en kar in het pompdorp van de baron aangekomen, begon hij de drek op een akker uit te gieten. Telkens weer met de emmer één van de vaten in, uitkappen en daarna het paard weer aanporren om een aantal meters verder te sleuren. Mesuur, zo was de bijnaam van de vader van Jef, omdat hij nogal bekend was voor de nauwgezetheid waarmee hij zijn werk en het leven opvatte, was zijn slavenarbeid ten dienste van de elite meer dan beu die dag. Zijn lijfspreuk 'alles met mate' ('mesurer', het Frans voor 'meten') was aan herziening of beter nog, aan 'ijking', bijstelling toe. Na het voorval dat ik zo dadelijk ga beschrijven, zou hij weten dat de aanleiding om dat te doen, hem luttele minuten daarna in de het gezicht zou worden geslingerd. Met dank aan de baron van het kasteel.

Midden de werkzaamheden kwam de baron, handen op de rug, inspekteren. “Mesuur, die mest ligt precies niet erg dik”, zei de man met zijn kasteel in het panorama achter zijn rug. Mesuur was heel dat leven van hem ineens op een zeer besliste manier beu. Geen tijd om van het goed weer te genieten, altijd dat verdomde geld dat moest worden verdiend, nooit voldoende tijd voor de eigen luttele perceeltjes grond en de paar koeibeesten, varkens en de plannen met konijnen en kiekens en fruitbomen. De pachter en loonslaaf van de baron stapte af en schreed in de richting van de baron. “Lig ' t hem niet dik genoeg mijnheer de baron”, vroeg hij op de man af, als ware ze volstrekt gelijken en dat was in feite zo. Vóór dat de baron kon antwoorden had Mesuur hem al bij zijn kruis beet en tilde hem bijna tot borsthoogte en met een krachtstoot waarop menig kogelstoter trots zou zijn, lanceerde hij de landheer richting akker en drek...al waar hij met een smak neerplofte. Dit had de baron niet verwacht van die brave, hardwerkende Mesuur. Hij klauterde rechtop en wist dat hij geen verhaal had tegen de kracht van zijn labeurder. Eén en al paniek probeerde hij de stinkende smurrie van zich af te wrijven, waardoor hij het nog erger maakte, want heel zijn vest werd één grote stinkende smurrie. Mesuur onderdrukte zijn innerlijke plezier en het resultaat van zijn durf en opstand. De baron maakte zich schrijlings uit de voeten en riep Mesuur wanhopig na dat hij dit zich nog zou beklagen. “Loopt schijten en zoekt iemand anders voor die strontjob” !, keelde Mesuur hem achterna.

In gedachten verzonken keerde Messuur met paard en kar terug in de richting van het boerderijtje aan de pomp, gelukkig nog eigen goed van vader op zoon. Hij zou voortaan wel zonder de baron aan zijn geld geraken. Die dag werd ook de toekomst van zijn nageslacht beslist. Voortaan zouden zijn nakomelingen allen hun kost op hun eigen verdienen. Al zouden ze moeten zweten zoals in de bijbel aan Adam en Eva was voorspeld. Wat was er eigenlijk waar aan dat verhaal ? Was die God in dat verhaal niet ook een baron geweest die die mensen gewoon verjaagd had omdat ze eens een appeltje meer wilden van hem ?

Mesuur was niet alleen met zijn verzet. Onder de Tsaren en zijn edelen zwichten miljoenen Russische boeren en de boeren van Napoleon in Frankrijk waren nog maar juist terug thuis of gesneuveld in één of andere oorlog tegen die arme Russische boeren of ander werkmensen uit één of ander Europees land. “Miljaarde, miljaarde, wat een ellende, 't is goed geweest”, was zijn goeiendag toen hij de bijna vermolmde deur van zijn huisje opentrok en het huis met drekwalm vulde”.

“Zoniet eeh manneke, welke wesp heeft 'jouw' gebeten ? ('oech' zegden ze toen) “Normaal gezien ga je je toch altijd eerst wassen in het houten vat onder 't dak buiten”, zei zijn vrouw ietwat zorgelijk.

 

Mesuur vertelde zijn verhaal en voegde er voor vrouw Jeanneke en zoon Jozef aan toe dat nadat de baron tussen de smurrie lag, hij de plaatselijke potentaat nog gevraagd had of “de mest nu wel dik genoeg lag”.

Het gezin zat er na het verhaal over de verzetsdaad van pa en de verbouwereerdheid van de rest van het gezin bij alsof iedereen al in spannig uitkeek naar wat hierop volgen zou. “Het heeft geen zin hier nog veel drukte om te maken”, zei pa Mesuur. Er is nog werk genoeg in de hof en met de beesten. In plaats van met de strond van een ander rond te zeulen ga ik voortaan met onze eigen groenten en fruit en wat gepekeld vlees en kippen en eieren naar 't stad met 't paard”. Jeanneke sloot zich aan bij de plantrekkerij van haar man en tot eenieders verbazing nam ze het woord op een wel heel erg besliste overkomende toon : “dat ze hun was en strijk op 't kasteel voortaan maar zelf doen...ik zal wel zien dat ge om de week op de marktdagen van de omtrek hier tomaten en patatten en bonen genoeg hebt om mee te nemen.” Ook Jozef had plannen : “ Als gij me dat stuk nat grond aan de Bemdbos geeft kan ik daar de klei uithalen om bakstenen te maken, ik heb dat al genoeg zien doen bij Camiel. Een paard om ze te vervoeren heb ik niet nodig, ze zullen van ver komen voor mijn bakstenen, let maar op. En daarbij, de Camiel dat is een plezante grote boer om voor te werken, die leent me zijn beste Brabants paard wel als dat nodig moest zijn. Ik kan op één van de putten die ik daar ga uithalen eenden kweken en kikkers, 't schijnt dat het schoon volk in 't stad die zelfs eet. Gedaan met slaven voor een ander ! Ik zal op tijd een deel stenen voor mijn eigen opzijzetten en me hoger op de Bemdbos een eigen boerderij bouwen. Die patatten dat daar staan die kunt ge op grond van Camiel zetten, hij heeft nog grond braak liggen die je kan pachten...de wurger van 't kasteel zal je pacht toch opzeggen.”

Er werd op de deur geklopt. De veldwachter al van 't kasteel gestuurd om te proberen Messuur schrik aan te jagen, mat zich een geweldige graad van overmoed aan om gewoon te komen zeggen dat de baron klacht indiende. Bij het tweede geneverke dat hij aangeboden kreeg liet hij zijn gestrengheid varen en omdat hij zoals bijna iedereen in 't dorp Mesuur altijd al als een heel behulpzaam en wijs mens had ervaren, verklapte hij de familie onder voorbehoud 'van te kunnen zwijgen' dat hij gestuurd was om die 'rebellen aan de pomp'(zo had de baron hun genoemd) eens goed schrik aan te jagen. “ Ook de adel begint schrik voor ons te krijgen”, zei Arthur de overwegend goedlachse veldwachter. “ De baron, die leest alle dagen gazettenpraat en hetgeen er allemaal in de wereld gebeurt, de dag van vandaag Mesuur jonge, ge zou er van verschieten. Een paar maand terug neep de baron ze nogal. Terwijl hij even buiten ging kijken naar zijn werkvolk en ik bij hem, ook burgemeester zijnde op de facteur moest wachten voor een dringend stuk van de directie van 'binnenlandse zaken', las ik één van zijn gazetten van 1844 begin juni, dat boze Silezische wevers hoger lonen eisten. Hun lonen werden voortdurend verlaagd door de dikke mannen ginder omdat die anders niet genoeg winst meer maakten sinds andere bedrijven met de mechanische weefstoel beginnen werken zijn. Die wevers hebben zich daar geörganiseerd en op één plaats hebben ze het huis en de fabriek van een eigenaar bezet toen die niet op hun eisen wou ingaan. Bij een andere fabrikant kregen ze wel geld en spek, maar ondertussen had die eerste fabrikant zijn contacten in het leger al verwittigd. De één of andere doorgedraaide majoor liet op den duur heelder dorpen omsingelen en het vuur openen, waarbij elf man omkwamen. Er zouden daar meer dan 100 mensen meegenomen zijn. Goed dat het hier in 't dorp veelal klein keuterboeren zijn of ik zou nogal gewetensproblemen krijgen als ik van hogerhand iets tegen mijn goesting moest doen.

 

Jaren vergingen en Jozef kreeg op zijn boerderij ook een zoon, Frans die het dorp van de pomp en de baron verliet om zich in een naburig dorp met zijn ega te gaan vestigen. Als jonge gast maakte hij het mee dat men in Europa ter wille van de centen miljoenen mensen de dood in joeg. Net een paar jaar te jong om te worden opgeroepen, de vlucht naar Nederland meegemaakt. Daar hoorde hij voor het eerst over de arbeidersbeweging die zich vruchteloos tegen die oorlog had verzet, over de tweede internationale en zo. Als boer was je daar allemaal zo niet bij betrokken. Ook hij maakte plannen om zich zelfstandig van een inkomen te voorzien en dat lukte aardig al kwam de recessie in de jaren dertig roet in het eten gooien. Zijn kinderen groeiden vóór de tweede wereldoorlog op in de filosfie van het harde werken om den brode getraind. Als onafhankelijk verzetsman, gewaardeerd door de verschillende strekkingen in het verzet, slaagde hij er in van werkweigeraars en piloten te verbergen en op de duur moest hij zichzelf verbergen nadat hij tijdelijk opgepakt was en zijn vrouw Lin in koeienvoederbakken sliep nadat ze van lieden van het uiterst rechtse misantropendom der mensheid slaag gekregen had. Ook dat deel der geschiedenis overwonnen de afstammelingen van Mesuur. De oorlog ging voorbij. De zonen van Frans en Lin begonnen fruit te kweken en nationaal en interantionaal verhandelen en ook hun kinderen leerden werken en zich een toekomst maken. De zoon die op de ouderlijke boerderij bleef had weer ondermeer een zoon, de eerste die uit werken zou gaan, afhankelijk zijn van een inkomen. Hij stelde zich vragen over de zin van de geschiedenis en nam de draad van Frans in Nederland weer op om de gang van de wereld leren te interpreteren. Ook de geschiedenis van de filosofie moest hij daarvoor na zijn klassieke werkuren bestuderen. Het verband tussen praktijk en theorie leren doorgronden, op elk mogelijk terrein van het leven van mensen. Mensenkennis opdoen, gegevens leren verbinden, 'relier', religie...ging veel verder dan gewoon wat de godsdienst voor waar hield buiten wat de evangelisten vertelden.

De kleinzoon van Frans begon met schrijven over alles wat hem en de wereld bezig hield, met begrijpen ook waarom de meerderheid van de medemensen aan de diepten des levens op collectief en persoonlijk vlak,totaal of weinig boodschap had.

21:56 Gepost door blogkunstenaar in kortverhaal | Permalink | Commentaren (0) | Tags: terug naar de 19de eeuw |  Facebook |